Afzien

Afzien

Ik had het idee opgevat om met een stel behaarde buffels rond het IJsselmeer te fietsen. Zoals het de traditie betaamde was het hondenweer. Het waaide in de ochtend al ruim 5bft en de regen sloeg je horizontaal tegen het gezicht. Het geklapper van de windjacks leek op het heen en weer zwiepen van vlaggen aan masten die bijna uit de grond gerukt worden. Wie met zijn ogen knipperde kreeg de oogleden tot op het achterhoofd geslagen.

315km fietsen… het viel allemaal wel mee. Ze hadden er ook bij gezegd dat het op één dag was.

Er waren jongens en meiden, allemaal van mijn leeftijd, sommigen wat ouder.  Maar van de meesten had ik het idee dat zij in hun vrije tijd op mammoeten joegen en voor de lol met blote handen sabeltandtijgers in twee stukken knepen.  Kortom een soort mensen… Mensen die veranderden in gewetenloze machines op het moment dat ze op een fiets stappen. Van dát soort.

De eerste 30km ging nog wel. Een stukje door Amsterdam. Maar toen we het oostelijke gedeelte van de stad uitkwamen en twee bruggen over moesten… Goed, ik zakte na een dappere poging om voorop te rijden, binnen enkele beuken op de pedalen naar de 8582’ste plek. Niet dat er zoveel mensen mee deden, maar zo voelde het wel.

Daarna door Noord-Holland. Jongens wat kan het daar mooi zijn. Echt idyllisch! Molens en koeien, als de zon schijnt languit in het gras liggen, dat soort werk. Maar nu niet! Kaarsrechte wegen met de wind vol op je bakkes en een straal natte modder tussen je ogen. Het peloton bibberde over de weg van de kou (en angst) voor de aanstaande marteling. Een rechtgeaarde geselmonnik zou hier afgestapt zijn.

Wij gingen door. Ik ook, geloof ik.

Over de Afsluitdijk – om met Maarten Ducrot te spreken –  was ‘een wedstrijd in de wedstrijd’. Wie het eerst aan de overkant is. Simpel. Op de Afsluitdijk had de wind inmiddels apocalyptische vormen aangenomen en met een beetje voorstellingsvermogen zag je de auto’s willekeurig door een donderende rivier schieten die ooit een weg was geweest.

Het ging op de kant. Mensen, d e  k a n t… Dat is helemaal geen kant. ‘Het kantje’, ah lief. Nee, deze kant was een afgrond; een duizelingwekkende diepte waarin je onderin het hellevuur zag branden en de helmpjes van de gevallenen uit elkaar zag spatten. Wie zijn hoofd uit de waaier stak werd naar achter gelanceerd als een uit elkaar gerukte lappenpop.

32km, waar hebben we het over?
Waar hebben we het over… waar-hebben-we-het-over!
We hebben het over 32km leed. We hebben het over ballen die opnieuw moeten indalen omdat ze door de kou en het kleine zadel tot onder je oksels omhoog gekropen zijn. We hebben het over het bijvullen van de kinderzandbak omdat er na een week nog steeds zand onder je oogleden vandaan komt. We hebben het kleine beetje huilen omdat het zo verrekte veel pijn in je poten doet, dan je wil terugkruipen in de schoot van je moeder. We hebben het over in gedachte verzinken naar de meest ongelukkige zwarte bladzijde van je leven en hopen dat het niet zó erg wordt. We hebben het over bijna out gaan omdat je lichaam protesteert tegen de afranseling. We hebben het over afzien.

Die dag fietste ik alle 315km. Nergens heb ik ooit zo afgezien.

10 jaar geleden fietste ik met Studentenroeivereniging ASR Nereus mee met ‘Het Rondje’. in gesloten formatie van Amsterdam naar Den Oever. Van Den Oever in wedstrijd naar de overkant. Daarna van Zurich naar Urk en van Urk naar Muiden in twee ploegentijdritten. Daarna uitbollen naar Amsterdam. Mijn eerste écht wielerervaring.

Eindeloos respect heb ik voor de roeiers die zonder enige vorm van elegantie (zoals het de wielrenners betaamd) pas weer opkijken als ze de finish gehaald hebben. Onderweg zijn ze vermoedelijk 3 keer overleden en weer opgestaan. Eat that Jezus!

 

Bookmark the permalink.

Comments are closed